Stotteren is een complex probleem

Er is veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar stotteren en er wordt nog steeds veel onderzoek gedaan. Nog niet alles is bekend, maar we weten gelukkig elk jaar meer! Daarom zal onderstaand stukje aan verandering onderhevig zijn. Op www.stotteren.nl worden ook de meest recente inzichten gedeeld.

Stotteren komt toch door verkeerd ademhalen of niet? In de jaren 70 van vorige eeuw werd nog gedacht dat stotteren kwam doordat iemand verkeerd ademhaalde en dat dit ademprobleem verholpen moest worden. Hoewel deze verklaring voor stotteren nog vaak gehoord wordt, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek en therapeutische ervaringen dat het stotterprobleem niet zo eenvoudig te verklaren is. Stotteren komt in ieder geval niet doordat iemand verkeerd ademhaalt. Het kan wél zijn dat de ademhaling verstoord raakt door het stotteren.

Wat is stotteren dan wel? Momenteel wijst het meeste onderzoek erop dat stotteren een neuromusculair coördinatie-/timingsprobleem is. Anders gezegd: een probleem bij de aansturing (zenuwen: ‘neuro’) en de uitvoering (spierbewegingen: ‘musculair’) van spraakbewegingen. Sommige mensen hebben hier aanleg voor en soms is die aanleg erfelijk.

Wat houdt deze aanleg voor stotteren in? Om te spreken zijn veel bewegingen nodig: van o.a. de lippen, tong, het gehemelte en de stembanden. Deze bewegingen moeten allemaal op het juiste moment en met de juiste kracht ingezet worden. Spreken is eigenlijk niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Iedereen ervaart wel eens een foutje in dit proces: een verspreking of een herhaling van een woord. Iemand die stottert heeft echter een groter risico dat deze coördinatie/timing niet helemaal soepel loopt. Daardoor ontstaan herherherhalingen of vvvverlengingen in het spreken. Dit worden kernstotters genoemd. Deze kernstotters treden niet altijd op, maar worden uitgelokt door bepaalde factoren. Enkele voorbeelden van deze uitlokkende factoren zijn spanning, angst, onzekerheid, vermoeidheid of een snelle taalontwikkeling bij jonge kinderen. Door de diversiteit van deze factoren kan het stotteren zomaar ineens ontstaan en ook periodes weer afwezig zijn. Iemand die stottert is tijdens de stotter ineens de controle over het spreken kwijt, wat naar voelt. Door dit controleverlies ontstaan reacties op het stotteren waarmee geprobeerd wordt het stotteren te voorkomen. Bijvoorbeeld extra kracht zetten om het woord eruit te persen, een ander woord zoeken of maar even niks zeggen. Dit zijn enkele voorbeelden van wat we secundair gedrag noemen. Als stotteren zich op deze manier ontwikkelt komen daar veel gevoelens en gedachten bij kijken. Gevoelens van schaamte en angst voor negatieve reacties of de gedachte een slechte spreker te zijn zijn vaak herkenbaar voor mensen die stotteren. Al deze gevoelens en gedachten zorgen voor een verdere ontwikkeling van het stotterprobleem.

Stotteren is te vergelijken met een ijsberg: de meeste mensen horen en zien maar het topje van de ijsberg van het stotteren: de stotters zelf. Het grootste deel van de ijsberg zit onder water en is onzichtbaar voor anderen: je gevoel en je gedachten over jezelf. Wil een therapie effect hebben dan moet adequaat aandacht besteed worden aan de onderkant van de ‘stotterijsberg’.

IJsberg naar de metafoor die de stottertherapeut Sheehan introduceerde.